NUPEX logo
Woordenlijst

Alfadeeltje - De kern van het heliumatoom, bestaande uit twee protonen en twee neutronen. Het is een zeer stabiele kern die als geheel wordt uitgestoten door veel zwaardere kernen in een proces dat alfaverval wordt genoemd. Alfadeeltjes waren bekend voordat men begreep dat ze bestonden uit protonen en neutronen. Ze zijn ook dubbelgeïoniseerde heliumatomen, d.w.z. heliumatomen waaraan beide elektronen zijn onttrokken.

Antimaterie - materie die volledig bestaat uit antideeltjes.

Antideeltje - een type subatomair deeltje dat als een spiegelbeeld van het originele deeltje is, doordat veel van zijn belangrijkste eigenschappen omgekeerd zijn. Zo heeft het antiproton dezelfde massa als het proton, maar is het negatief geladen. Wanneer deeltjes en hun overeenkomstige antideeltjes elkaar ontmoeten, vernietigen ze elkaar in een uitbarsting van energie. Op dezelfde manier kan een deeltje-antideeltjepaar worden gecreëerd uit pure energie. Het anti-elektron staat bekend als het positron en heeft een positieve lading met dezelfde grootte als de negatieve lading van een elektron.

Atomaire massa-eenheid (amu) - de gebruikelijke eenheid voor het uitdrukken van de massa van kernen. Het is een twaalfde van de massa van een neutraal koolstofatoom, 12C. De massa van een kern in amu is ongeveer gelijk aan het massagetal van een kern.

Atoomnummer - symbool Z, het aantal protonen in een kern. Ook het totale aantal elektronen in een neutraal atoom, omdat, als de ladingen in evenwicht moeten zijn, het aantal elektronen buiten de kern gelijk moet zijn aan het aantal protonen in de kern.

Baryonen - Hadronen die zijn samengesteld uit drie quarks. De lichtste baryonen zijn de protonen en neutronen. Zwaardere hadronen, zoals het deltaerdeeltje, zijn instabiel. Baryonen en mesonen (die slechts een quark en een antiquark bevatten) vormen de twee typen hadronen.

Betaverval - het proces, bestuurd door de zwakke kernkracht, waarbij protonen en neutronen in elkaar kunnen worden omgezet. Wanneer een neutron betaverval ondergaat, worden een elektron en een antineutrino vrijgegeven. Een vrij neutron kan betaverval ondergaan omdat zijn massa de som van de proton- en elektronmassa's overschrijdt. Een proton kan alleen betaverval ondergaan in een kern met overtollige energie en wordt een positron plus een neutrino; dit gebeurt in kernen met een overschot aan protonen.

Betastraling - de oude naam voor de elektronen, of positronen, die worden uitgezonden door kernen bij betaverval.

Borromeïsche kern - Een bepaald type onstabiele kern die zich gedraagt alsof hij uit drie afzonderlijke delen bestaat; het grootste deel van de kern vormt de kern zelf, terwijl twee nucleonen (gewoonlijk neutronen) 'zweven' aan de buitenkant. Deze drie bestanddelen (kern plus twee nucleonen) worden zeer zwak bij elkaar gehouden door de sterke kernkracht op een manier waarbij, als een van hen wordt verwijderd, de kracht tussen de twee overblijvende te zwak is om ze bij elkaar te houden en ze ook uiteenvallen. Dit gedrag is uniek in de natuur. De term Borromeïsch komt uit de wiskunde, bekend als knopentheorie, waarbij de borromeïsche ringen zodanig in elkaar grijpen dat elk de andere twee bij elkaar houdt. Voorbeelden van Borromeïsche kernen zijn 6He, 11Li en 14Be, die ook alle halokemen zijn.

Bellenvat - een apparaat voor het zichtbaar maken van de paden van geladen (sterk ioniserende) deeltjes terwijl ze door een 'oververzadigde' vloeistof bewegen. Soms kan een vloeistof, zoals vloeibaar waterstof, boven zijn kookpunt worden verhit als hij zeer zuiver is. Een geladen deeltje dat door zo'n 'oververzadigde' vloeistof beweegt, zal echter een reeks bellen achterlaten op de punten waar het deeltje de vloeistof heeft geïoniseerd.

Kettingreactie - wanneer een uraniumkern wordt aangezet tot splijting door de absorptie van een neutron, zal hij zelf een aantal neutronen vrijgeven. Deze kunnen dan op hun beurt andere kernen aanzetten tot splijting, enzovoort, door een significant volume uranium. Dit is een neutronen-kettingreactie.

Nevelkamer - een apparaat voor het zichtbaar maken van de paden van geladen (sterk ioniserende) deeltjes terwijl ze door 'verzadigde' waterdamp bewegen. Er is een grens aan de hoeveelheid waterdamp die lucht kan bevatten, maar die grens kan soms worden overschreden. Een geladen deeltje dat door zo'n 'verzadigde' damp beweegt, zal echter een reeks druppeltjes achterlaten op de punten waar het deeltje de damp heeft geïoniseerd.

Cyclotron - een versneller voor geladen deeltjes waarbij de deeltjes in een spiraalvormige baan in een vacuümkamer worden gehouden door een magnetisch veld, en een reeks duwtjes krijgen van een elektrisch veld.

Deltadeeltje - een verwant van het nucleon; dit deeltje kan worden beschouwd als een aangeslagen toestand van het nucleon met een iets grotere massa.

Diffractie - De eigenschap van alle golven waarbij ze uitwaaieren wanneer ze een obstakel tegenkomen. De mate van uitwaaieren hangt af van de frequentie van de golf en de grootte van het object.

Driplijnen - dit zijn de grenzen op een Segré-diagram waarboven kernen niet bestaan. Zo genoemd omdat het is alsof nucleonen die in een dergelijke kern worden gestopt er meteen weer uitdruppelen.

Elektromagnetische straling - elke straling die bestaat uit zichzelf in stand houdende elektrische en magnetische velden. Alle elektromagnetische straling reist in een vacuüm met dezelfde snelheid; de lichtsnelheid. Licht, radiogolven, ultraviolet, gamma- en infraroodstraling zijn fundamenteel hetzelfde en verschillen alleen in frequentie en golflengte. Al hun verschillende effecten op materie zijn het gevolg van het verschil in frequentie en dus het verschil in energie van de fotonen.

Elektron - Het eerste elementaire deeltje dat werd ontdekt. Het behoort tot de klasse van deeltjes die leptonen worden genoemd. Elektronen zijn zeer lichte negatief geladen deeltjes en zijn de bestanddelen van atomen buiten de kern. Elektronen hebben een massa van 9x10-31 kg, ongeveer een tweeduizendste van de massa van het lichtste atoom, het waterstofatoom. Ze hebben een nulgrootte en worden daarom beschouwd als 'puntdeeltjes'. Ze zijn de drager van elektriciteit in metalen.

Elektronvangst - Het proces waarbij een elektron wordt geabsorbeerd door een kern, waarbij het zich combineert met een proton om een neutron en een neutrino te vormen.

Energieniveaus - De toegestane discrete (gekwantiseerde) energiewaarden die een kern kan hebben. Elke soort kern heeft een uniek patroon van energieniveaus. Ook atomen en moleculen hebben unieke patronen van energieniveaus.

Energievallei (nucleair) - Niet alle kernen hebben dezelfde hoeveelheid energie per nucleon. Als alle kernen worden gerangschikt volgens N en Z, zoals in een Segré-diagram, en een lijn wordt getrokken vanuit de positie van elke kern, evenredig met de energie per nucleon, dan zullen de toppen van die lijnen een oppervlak vormen dat eruitziet als een vallei. De stabiele kernen zullen die zijn nabij de bodem van de vallei. De kernen hoger in de vallei zullen radioactieve transformaties ondergaan, energie verliezen en langs de zijkanten van de vallei naar beneden glijden.

Aangeslagen toestand - Elk energieniveau van een kern boven zijn grondtoestand.

Splijting - het proces waarbij een zware kern uiteenvalt in twee ruwweg gelijke kleinere kernen, waarbij de daarin opgesloten energie vrijkomt. Gewoonlijk vindt splijting plaats nadat een kern is gestimuleerd door de absorptie van een neutron, maar spontane splijting bestaat ook. Splijting is het proces dat kernenergie produceert via gecontroleerde kettingreacties.

Frequentie - Het aantal trillingen van een oscillerend systeem dat per seconde plaatsvindt. Voor golven is het het aantal golfkammen dat per seconde langs een vast punt passeert. Het wordt gemeten in Hertz (= trillingen per seconde).

Fusie - het nucleaire proces waarbij twee lichte kernen de onderlinge elektrische (Coulomb) afstoting kunnen overwinnen om samen te smelten. Dit gaat gepaard met de vrijgifte van een grote hoeveelheid energie en is de energiebron in de Zon en andere sterren. Men hoopt dat fusie ooit als energiebron op aarde voor de mensheid kan worden ingezet.

Gammastraal - een hoge-energie foton (lichtdeeltje) dat vrijkomt uit atomaire kernen wanneer ze zich in een onstabiele aangeslagen toestand bevinden. Gammastralen kunnen ook worden geabsorbeerd door kernen die dan in een aangeslagen toestand raken.

Gluon - massaloos deeltje, nooit geïsoleerd buiten hadronen gezien, dat de aantrekking tussen de quarks in de hadronen genereert en ze bij elkaar houdt.

Grondtoestand - Het laagste energieniveau van een kern (of atoom).

Hadronen - Alle deeltjes die wisselwerken via de sterke kernkracht. Hadronen zijn samengesteld uit quarks; protonen en neutronen zijn hadronen, evenals de mesonen.

Halveringstijd - de tijd waarna de helft van een grote verzameling identieke radioactieve kernen zal zijn vervallen.

Halokern - Een bepaald type exotische kern ontdekt in het midden van de jaren 1980 die veel meer neutronen heeft dan het stabiele isotoop van dat element. Dit resulteert soms in het feit dat het buitenste één of twee neutronen zeer zwak zijn verbonden met de rest van de nucleonen en dus veel van hun tijd ver buiten het bereik van de sterke kernkracht doorbrengen die hen aan de rest van de kern bindt. Zulke kernen zijn zeer onstabiel en bestaan alleen dankzij de vreemde regels van de kwantummechanica. Voorbeelden van één-neutron halokemen zijn 11Be en 19C, terwijl twee-neutron halokemen de neiging hebben Borromeïsch te zijn. Kernen met protonhalo's bestaan ook (zoals 8B), maar in dat geval betekent de afstoting tussen de positieve lading van het proton en de rest van de kern dat het niet ver kan afdwalen of het valt eraf. Protonhalo's zijn daarom kleiner dan neutronhalo's.

Interferentie - Een eigenschap van golven waarbij twee golven elkaar overlappen om een patroon van pieken (wanneer twee golfkammen elkaar ontmoeten en combineren) en dalen (wanneer een golfkam een golfdal ontmoet en ze elkaar opheffen) te produceren. Het patroon van donker en licht dat resulteert stelt ons in staat meer te weten te komen over de golven en over het systeem waarin interferentie plaatsvindt.

Ion - een atoom, of molecuul, dat niet langer elektrisch neutraal is, gewoonlijk omdat een of meer elektronen zijn weggeslagen, maar de term kan ook van toepassing zijn op een atoom met een extra elektron (negatief ion).

Ioniseren - het proces van het verwijderen van elektronen uit atomen of moleculen zodat ze niet langer elektrisch neutraal zijn. Alfa-, beta- en gammastralen ioniseren de atomen van de materie waarmee ze in wisselwerking treden.

Isobaar - Nucliden met verschillende aantallen protonen en neutronen maar hetzelfde totale aantal protonen plus neutronen, d.w.z. hetzelfde atoommassgetal.

Isomeer - Een kern die zich in een langlevende aangeslagen toestand bevindt (een isomere toestand of metastabiele toestand genoemd). Bepaalde kernen kunnen in dergelijke aangeslagen toestanden blijven vanwege bepaalde kwantumeigenschappen die hen verbieden naar een lager energieniveau te zakken door gammastralen uit te zenden.

Isotonen - Nucliden met hetzelfde aantal neutronen maar verschillende aantallen protonen.

Isotoop - Alle nucliden van een bepaald element (met hetzelfde aantal protonen) maar met verschillende aantallen neutronen staan bekend als isotopen van dat element. Zo zijn 12C en 14C verschillende isotopen van koolstof.

Isotoopverschuiving - het optisch spectrum van een atoom hangt bijna volledig af van de elektronen buiten de kern, maar de grootte van de kern heeft een klein maar meetbaar effect. Dit betekent dat zorgvuldige metingen van de optische spectra van atomen ons in staat stellen de grootte van de kern te meten. Dit is zeer nuttig voor kernen die te kort leven voor metingen gebaseerd op elektronverstrooiing.

Leptonen - Een van de twee klassen van elementaire deeltjes in de natuur. Ze omvatten het elektron, het muon en het taudeeltje, samen met hun overeenkomstige neutrino's.

Lineaire versneller - een versneller voor geladen deeltjes waarbij de deeltjes een reeks duwtjes krijgen langs een lange rechte vacuümkamer door oscillerende elektrische velden.

Magisch getal - bepaalde aantallen protonen of neutronen leiden tot kernen met verhoogde stabiliteit vergeleken met de naburige kernen. Voor neutronen zijn deze getallen 2, 8, 20, 28, 50, 82 en 126. Ze zijn hetzelfde voor protonen, behalve dat geen kern met 126 protonen bekend is.

Massadefect - het verschil tussen de massa van een kern en de som van de massa's van al zijn nucleonen wanneer de nucleonen niet gebonden zijn. Merk op dat de totale rustmassa van de vervalproducten kleiner is dan de rustmassa van de vervallende kern; dit wordt soms het massakremet genoemd.

Massagetal - symbool A, het totale aantal protonen en neutronen in een kern. A=N+Z, waarbij N het aantal neutronen is en Z het aantal protonen.

Meson - subatomair deeltje dat kan worden beschouwd als de drager van de sterke kernkracht tussen nucleonen in kernen. Er zijn verschillende soorten mesonen en ze kunnen neutraal, positief of negatief geladen zijn. Het is nu bekend dat mesonen, net als de nucleonen, zelf zijn samengesteld uit quarks. Maar in tegenstelling tot de nucleonen, die zijn opgebouwd uit drie quarks, bevatten mesonen een quark en een antiquark.

Neutrino - een zeer licht deeltje dat wordt uitgestoten bij betaverval. Zijn naam betekent 'klein neutraal ding' en men dacht tot voor kort dat het helemaal geen massa had (zoals het foton). Het is nu bekend dat er drie soorten neutrino's zijn, samen met hun overeenkomstige antideeltjes, maar het is het lichtste hiervan dat door kernen wordt uitgestoten.

Neutron - Het andere bestanddeel, samen met protonen, van kernen; het heeft een massa die iets groter is dan het proton maar is elektrisch neutraal. Neutronen kunnen niet lang buiten de kern overleven en ondergaan betaverval, d.w.z. worden omgezet in protonen en antineutrino's, na ongeveer tien minuten.

Neutronenster - het compacte overblijfsel dat achterblijft wanneer een reuzenster sterft in een supernovaexplosie. Het heeft ongeveer dezelfde dichtheid als een kern. Vele experimenten zijn gericht op het begrijpen van genoeg van de eigenschappen van kernmaterie bij hoge drukken om ons in staat te stellen neutronensterren te begrijpen.

Kernmaterie - in brede zin, de 'stof' van kernen. Doordat kernmaterie onsamendrukbaar is, is de dichtheid van protonen en neutronen in het midden van kernen nagenoeg hetzelfde voor alle kernen behalve de allerlichtste. Om dezelfde reden hebben neutronensterren ongeveer dezelfde dichtheid als we vinden in het midden van kernen.

Nucleon - algemene term voor een proton of neutron.

Nuclide - Een kern met een bepaald aantal protonen en neutronen. Er zijn ongeveer 7000 verschillende mogelijke nucliden, waarvan slechts enkele honderden stabiel zijn.

Oblate vervorming - De vervorming van een bol die wordt bereikt door twee kanten samen te drukken. De aarde is enigszins oblaat omdat hij een beetje is samengedrukt bij de polen, waardoor de evenaar iets langer is dan hij zou zijn als de aarde een perfecte bol was.

Fotomultiplicator - een zeer gevoelige fotondetector, in staat om de energie te meten in een zeer zwakke lichtpuls. Het maakt deel uit van een scintillatiedetector voor het meten van gammastralen. De lichtpuls wordt gegenereerd als scintillatie.

Foton - een enkel lichtdeeltje. Einstein stelde in 1905 voor dat licht in pakketjes of lichtquanta komt, als verklaring voor het foto-elektrisch effect, waarbij licht elektronen kan losslaan van het oppervlak van een metaal. Samen met het werk van Max Planck markeerde dit het begin van de oude kwantumtheorie waarbij licht wordt beschouwd als samengesteld uit afzonderlijke klonten. Later besefte men dat deze pakketjes lichtenergie dezelfde kenmerken hadden als deeltjes, zoals het verschijnen op een enkel punt in detectors, en ze werden bekend als fotonen.

Pion - Het lichtste meson, met een massa van iets meer dan een achtste van de nucleonmassa.

Positron - Het antideeltje van het elektron. Het heeft dezelfde massa als het elektron maar met tegengestelde (positieve) elektrische lading. De betastraling van kernen bestaat uit elektronen of positronen samen met de (bijna) ondetecteerbare neutrino's.

Prolate vervorming - De vervorming van een bol tot een 'rugbybal'- of 'American football'-vorm. Dit kan worden bereikt met een ballon, door twee punten aan weerszijden van het oppervlak van de ballon uit elkaar te trekken.

Proton - Een van de bestanddelen van kernen en het enige bestanddeel van de lichtste kern, waterstof. Het heeft een positieve lading van dezelfde grootte als de negatieve lading van een elektron, en een massa die bijna tweeduizend keer zwaarder is dan het elektron. Elk neutraal atoom bevat evenveel protonen in zijn kern als elektronen die er buiten omheen cirkelen.

Kwantummechanica - De verzameling fysische wetten die het gedrag van de subatomaire wereld bepalen. Het begon met de ideeën van Max Planck en Albert Einstein aan het begin van de twintigste eeuw en werd ontwikkeld tot een volledige wiskundige theorie in het midden van de jaren 1920 door Niels Bohr, Erwin Schrödinger en Werner Heisenberg. Andere natuurkundigen zoals Paul Dirac, Max Born en Wolfgang Pauli leverden belangrijke bijdragen. Hoewel de kwantummechanica de meest succesvolle theorie in de wetenschap is, die veel van de moderne natuurkunde, scheikunde, elektronica en materiaalkunde onderbouwt, blijven haar voorspellingen vreemd en contraintuïtief, vooral wanneer men er voor het eerst mee te maken krijgt.

Quark - samenstellend deeltje van protonen, neutronen, mesonen en andere hadronen. Ze kunnen niet geïsoleerd bestaan, buiten hadronen. Het proton bestaat uit twee 'up'-quarks, elk met een positieve lading van 2/3 van de lading van een elektron, en één 'down'-quark, met een negatieve lading van 1/3 van de lading van een elektron; het neutron heeft twee down-quarks en één up-quark, waardoor het een neutraal deeltje is.

Quark-gluonplasma - wanneer kernmaterie wordt verhit tot een hoge temperatuur en blootgesteld aan enorme druk, zoals gebeurt bij zeer hoge energie botsingen tussen zware kernen, verdwijnen de grenzen tussen de nucleonen en vormen de quarks en gluonen daarin een soort soep. Het Universum doorliep heel kort een quark-gluonfase voordat protonen en neutronen na de Oerknal ontstonden.

Scintillatie - de lichtflits wanneer een kerndeeltje of gammastraal bepaalde stoffen treft.

Scintillatieteller - een deeltjesdetector waarbij het licht van scintillaties wordt gedetecteerd en gemeten met fotomultiplicatoren.

Segré-diagram - een diagram van de kernen gerangschikt (gewoonlijk) met het protoongetal op de verticale as en het neutrongetal op de horizontale as. Over het algemeen geeft het vakje op dit diagram dat overeenkomt met bepaalde waarden van N en Z de belangrijkste eigenschappen van die bepaalde kern aan, zoals zijn radioactiviteit.

Siliciumdetector - moderne detectoren van geladen deeltjes zijn gebaseerd op het feit dat dergelijke deeltjes elektrische signalen veroorzaken wanneer ze erdoorheen bewegen of worden geabsorbeerd. Dergelijke detectoren maken het mogelijk de energieën en richtingen van deeltjes die worden geproduceerd in kernreacties nauwkeurig te meten.

Spallatie - wanneer een zeer hoge energie proton of ander projectiel een kern treft, zal het waarschijnlijk verbrijzelen en een reeks lichtere kernen produceren. Kernen zoals 6Li worden verondersteld te zijn geproduceerd in spallatereacties in de interstellaire ruimte.

Spectrometer - een instrument dat straling scheidt in zijn verschillende golflengten (of frequenties). Omdat elke kern of elk ander atoom verschillende reeksen golflengten uitzendt, stelt een spectrometer ons in staat te identificeren welke atomen of kernen aanwezig zijn in een monster. Bovendien biedt het specifieke patroon van golflengten vitale informatie over het atoom of de kern waaruit het is uitgestraald.

Spectrum - Een weergave die laat zien hoe de sterkte (of helderheid) van elektromagnetische straling van een bepaalde bron afhangt van de golflengte. Verwijst ook naar de band van kleuren die we zien wanneer licht of andere straling wordt gescheiden op basis van frequentie (of golflengte); het meest bekende voorbeeld hiervan is het regenboogspectrum van zichtbaar licht.

Spontane splijting - Het proces waarbij een zware kern met een overschot aan neutronen ruwweg in tweeën splijt tot twee lichtere kernen. Een dergelijk proces is een type radioactief verval en vindt plaats zonder dat de kern surplus neutronen hoeft te absorberen om het aan te zetten tot splijting, zoals nodig zou zijn in een kernreactor.

Superzware kernen - kernen met Z in het gebied van 110 of hoger.

Supernova, type Ia en type II - Een supernova is de catastrofale explosie van een ster waarbij hij kort evenveel straling uitzendt als alle sterren in zijn sterrenstelsel. Een type Ia supernova vindt plaats wanneer materie van de metgezel van een witte dwerg voldoende materie op de witte dwerg stort totdat deze de maximale massa overschrijdt die zo'n ster kan hebben. Een type II supernova vindt plaats wanneer de kernbrandstof in een reuzenster uitgeput raakt. Stralingsdruk van kernreacties kan de ster niet langer ondersteunen, waardoor hij naar binnen instort. Dan stuit hij terug door de onsamendrukbaarheid van kernmaterie, waarbij enorme hoeveelheden energie, een vloed van neutrino's en veel materie de ruimte in worden gestuurd. Veel elementen waaruit wij en het zonnestelsel bestaan, werden miliarden jaren geleden geproduceerd in supernovaexplosies.

Synchrotron - ontwikkeld uit het cyclotron voor veel hogere energieën en met een cirkelvormig in plaats van spiraalvormig pad. Synchrotronen kunnen geladen deeltjes versnellen tot bijna de lichtsnelheid.

Relativiteitstheorie - Einsteins speciale theorie is gebaseerd op twee ideeën; (I) dat de lichtsnelheid in een vacuüm altijd hetzelfde is, hoe snel je ook beweegt ten opzichte van de lichtbron, en, (II) de wetten van de fysica zijn hetzelfde hoe snel je laboratorium ook beweegt met constante snelheid. Een gevolg is dat massa m en energie E equivalent zijn, en dat E=mc2.

Tokamak - een apparaat voor het produceren van kernfusie op aarde. Het bestaat uit een vacuümkamer in de vorm van een torus samen met grote magneten voor het houden van de interacterende ionen op gesloten banen door het vacuüm.

Kwantumtunneling - kwantummechanica staat deeltjes toe te verschijnen aan de andere kant van barrières die, volgens de fysica vóór de kwantummechanica, niet genoeg energie zouden hebben om te overwinnen. Dit 'kwantumtunnelen' regelt zaken als alfaverval en maakt de fusie van lichte kernen in sterren mogelijk, waardoor sterren zoals de Zon miljarden jaren kunnen schijnen.

Onzekerheidsprincipe - Een van de fundamentele ideeën in de kwantumtheorie, voor het eerst uitgedrukt door de Duitse natuurkundige Werner Heisenberg, dat stelt dat voor elk object bepaalde paren van eigenschappen, zoals positie en impuls, niet precies tegelijk bekend kunnen zijn. Dit kenmerk is echter niet het gevolg van de onvermijdelijke 'onhandigheid' van onze meetapparatuur als het gaat om subatomaire objecten, maar is inherent aan de objecten zelf.

Golf-deeltjedualiteit - Het kwantumconcept waarbij zowel materie als straling op hun meest fundamentele niveau moeten worden beschouwd als soms golfeigenschappen en soms deeltjeseigenschappen hebbend. Zo gedragen elektronen en fotonen zich soms als deeltjes en soms als golven.

Golflengte - De afstand tussen twee opeenvolgende kammen (of dalen) van een golf en is omgekeerd evenredig met de frequentie van de golf. Voor elektromagnetische straling is de golflengte gelijk aan de lichtsnelheid gedeeld door de frequentie.

Röntgenstraling - Een vorm van elektromagnetische straling met golflengten korter dan ultraviolet maar langer dan gammastraling. Omdat de golflengte van de straling gerelateerd is aan energie, betekent dit dat röntgenfotonen minder energetisch zijn dan gammastralingsfotonen. Er is echter geen scherpe scheidingslijn tussen de twee. Röntgenstralen hebben golflengten variërend van ongeveer 10 nanometer tot 10 picometer.